Kenniskaarten‎ > ‎

Foetaal Alcohol Syndroom (FAS)

Laatst gewijzigd: 8 juni 2017

Wat is Foetaal Alcohol Syndroom?

Het Foetaal Alcohol Syndroom is een combinatie van aangeboren
afwijkingen die zijn ontstaan door regelmatig alcoholgebruik van de moeder tijdens de zwangerschap. Het syndroom maakt onderdeel uit van Foetaal Alcohol Spectrum Stoornissen (Foetaal Alcohol Spectrum Disorder, afgekort FASD). De hoeveelheid alcohol die nodig is voor het ontwikkelen van de stoornis verschilt waarschijnlijk per vrouw en per kind. Ook kinderen van wie de moeder tijdens de zwangerschap niet regelmatig maar af en toe grote hoeveelheden alcohol dronk, kunnen FASD ontwikkelen.

Een diagnose in het spectrum van FASD wordt gesteld door middel van de Astley 4-digit score. Hierbij wordt gekeken naar: 

  1. Lengte. 
  2. Gezichtskenmerken. 
  3. Neurologische afwijkingen. 
  4. Alcoholgebruik van de moeder tijdens de zwangerschap. 
Kinderen met FAS hebben een aantal typische uiterlijke kenmerken, maar ook gedrags- en leerproblemen. Sommige kinderen met FASD missen de typisch uiterlijke kenmerken maar hebben wel de gedrags- en leerproblemen, en andersom. Als een kind wel leer- en gedragsproblemen heeft, maar niet de typische uiterlijke kenmerken gebruikt men ook wel de term Alcohol Related Neurodevelopmental Disorder (ARND). De term Alcohol-Related Birth Defects (ARBD) wordt gebruikt voor kinderen die wel typische uiterlijke kenmerken, maar niet de typische leer- en gedragsproblemen hebben. 

Geschat wordt dat in Nederland 1 op de 1000 tot 1500 kinderen FAS heeft. Kijken we naar alle vormen van het FASD dan komt dit voor bij 1 op de 450 kinderen in Nederland.

FAS gezicht

Kenmerken

Typisch lichamelijk kenmerken zijn de geringe lichaamslengte, tengere bouw en kleine hoofdomtrek. De ogen zijn vaak smal, staan recht en wat verder uit elkaar, soms is er sprake van overhangende oogleden. De afstand tussen de neus en bovenlip is vaak groot, smalle bovenlip en een kleine kin. De oren zijn simpel van vorm en staan lager.

Lichamelijke kenmerken 
  • Afwijkende prikkelgevoeligheid: overgevoeligheid voor aanraking, geluid en fel licht. 
  • Tics en/of dwangmatige handelingen of bewegingen. Er is soms sprake van comorbiditeit met Gilles de la Tourette. 
  • Slaapproblemen, met name moeite met in- en doorslapen. 
  • Epilepsie. 
  • Verstoorde spijsvertering en allergieën voor voedingsstoffen. 
  • Hoge pijngrens. 
  • Auditieve en visuele verwerkingsproblemen.
Kenmerken bewegingsvaardigheden
  • Coördinatieproblemen waardoor de leerling moeite heeft met het aanleren van motorische vaardigheden. 
  • Onhandig ogende, houterige motoriek. 
  • Hemiparese. 
  • Motorische onrust en hyperkinesie. 
  • Lage spierspanning.

Kenmerken cognitieve vaardigheden

  • Zwak taalbegrip. 
  • Over het algemeen een lager IQ, maar ook een hoger IQ komt voor. 
  • Aandacht- en concentratieproblemen. Mogelijke comorbiditeit met ADHD. 
  • Moeite met planning en organisatie. 
  • Problemen in het korte- en lange termijn geheugen. 
  • Lager werktempo. 
  • Moeite met abstract denken. 
  • Moeite met het begrijpen van oorzaak en gevolg. 
  • Niet leren door ervaring.

Sociaal-emotionele kenmerken

  • Moeite met het inschatten sociale situaties. 
  • Moeite met onderhouden van vriendschappen. De leerling is vaak naïef en beïnvloedbaar waardoor er een groter risico is dat hij/zij slachtoffer wordt van misbruik. 
  • Verhoogd risico op alcoholisme, drugsverslaving en criminaliteit.
  • Moeite met het reguleren en controleren van emoties. Door teveel prikkels of te hoge verwachtingen van de buitenwereld kunnen woedeaanvallen voor komen. 
  • Niet goed begrijpen van de wereld om hen heen, waardoor onberedeneerbare angsten kunnen ontstaan. 
  • Opvliegend, angstig of gespannen bij nieuwe of onverwachte situaties. 
  • Mogelijke comorbiditeit met Autistisme Spectrum Stoornissen. 
  • Ongepast seksueel gedrag.

Revalidatie en onderwijs

In een multidisciplinair team kan met een leerling stap voor stap de ontwikkeling geoefend of ingetraind worden. Het is belangrijk dat de leerkracht informatie krijgt over wat hij/zij van de leerling mag verwachten en hoe hulpmiddelen ingezet kunnen worden.

Gevolgen voor schoolvaardigheden 

Leerlingen met FAS hebben moeite met abstract denken en daardoor komen vooral rekenproblemen voor. Ook omgaan met geld en tijdsbesef geven problemen. De complexiteit van de problematiek maakt dat veel leerlingen met FAS beter op hun plek zijn in het speciaal onderwijs dan in het regulier onderwijs. Het speciaal onderwijs is vaak beter in staat goed af te stemmen op de specifieke behoeftes van de leerling.

Tips voor de begeleiding 

  • Pas de lesstof aan op het niveau van de leerling en beperk de hoeveelheid nieuwe lesstof per keer. 
  • Verdeel instructies in kleinere stappen en controleer of instructie begrepen is. Bied zoveel mogelijk visuele ondersteuning. 
  • Gebruik concreet materiaal, waarbij verschillende zintuigen worden betrokken. 
  • Breng een duidelijke kern in de les aan en link andere (bekende) leerstof daaraan. Denk hierbij aan het gebruik van een mindmap. 
  • Plaats informatie in een relevante context of koppel leerstof aan een onderwerp waarin de leerling geïnteresseerd is.
  • Bedenk samen met de leerling cues of aanwijzingen die helpen informatie makkelijker op te halen uit het geheugen. 
  • Herhaal de lesstof veelvuldig, onder andere door vragen te stellen. 
  • Geef duidelijke korte (afgebakende) taken en maak inzichtelijk wanneer een taak is voltooid. Bied de taken één voor één aan en ondersteun de leerling bij complexe opdrachten bijvoorbeeld door een stappenplan te maken. Maak gebruik van een agenda of andere planner bij het opgeven van huiswerk. • Stel realistische en haalbare doelen voor een korte, overzichtelijke periode om de leerling succeservaringen op te laten doen. 
  • Creëer een zo prikkelarme en gestructureerd mogelijke omgeving. Positioneer de leerling op een plek in klas waar hij/zij het minst wordt afgeleid door de omgeving of door medeleerlingen. Zorg dat alleen het hoogstnoodzakelijke op tafel ligt. 
  • Voorkom tijdsdruk. 
  • Bied dagelijkse routine en voorspelbaarheid aan door:
    »» overzicht te geven van de dag door bij aanvang te vertellen wat het dagrooster is en dit eventueel ook op papier te geven.
    »» overzicht te geven van de les door bij aanvang te vertellen hoe de les eruit zal zien en dit eventueel ook op papier te geven. 
  • Plan toetsen aan begin van de dag en spreid ze over de week. Geef de leerling extra tijd voor een toets. 
  • Vermijd overstimulering. 
  • Leer sociale vaardigheden en spelvaardigheden expliciet aan. Wees duidelijk met betrekking tot (on)gewenst gedrag. Een lijst met regels, eventueel met gebruik van picto’s helpt de leerling hierbij. 
  • Houd in de gaten met wie de leerling op school omgaat en of de leerling negatief beïnvloed wordt. Stop zo mogelijk de contacten met leerlingen die de leerling negatief beïnvloeden. 
  • Wees alert op signalen die een voorbode zijn van woede of ongeremde emoties, bijvoorbeeld verhoogd stemvolume of het oppakken van voorwerpen. Leid de leerling af, bijvoorbeeld door een andere opdracht aan te bieden. 
  • Wees zelf een positief rolmodel door controle te bewaren over stem en houding bij een gesprek met een boze leerling. Stimuleer self-monitoring. 
  • Laat de leerling screenen door een ergotherapeut bij problemen met schrijven.

Meer informatie 

Websites

  • www.kinderneurologie.nl
    Met informatie over kinderneurologie, verklarende woordenlijst en toelichting over ziektebeelden waaronder FAS.

  • www.fasstichting.nl
    Met informatie over het Foetaal Alcohol Syndroom en Foetaal Alcohol Spectrum Disorders.

  • www.kennisgroepspeciaal.nl
    Kennisgroep Speciaal waarin expertise van samenwerkende mytylscholen gebundeld is.

Publicaties

  • FAS-kinderen. Geboren met alcoholschade. A. de Witte & J. Bos (2013), Uitgeverij Reuring.

  • FASD. En nu? Brochure FAS stichting.

  • Omgaan met FASD. Informatie, tips en herkenning. I. Broekhuizen- Verschuren (2008), Uitgeverij FAS stichting Nederland.

Wat leerlingen hiervan zelf vertellen

Rick
“Ik woon niet bij mama, maar bij Piet en Annie. Ik woon daar al lang. Ik ga naar school met de taxi. Mijn vrienden gaan ook met de taxi naar school, met een andere taxi. Dat is jammer. Daarom komen ze niet vaak bij mij spelen. In de straat wonen geen leuke kinderen, want ze doen raar tegen mij. Het liefst speel ik buiten in de tuin op de trampoline. Op school hebben we die niet. Alleen soms met gym. Op school doe ik vaak tikkertje op het schoolplein. Ik leer ook lezen en rekenen. Dat vind ik niet zo leuk.”

Patricia
“Volgend jaar ga ik naar de middelbare school. Ik denk naar VMBO basis. Nu zit ik op een gewone school, maar mijn pleegmoeder vindt dat ik naar een speciale school moet. Dat vind ik stom. Ze denkt dat ik niet naar school kan fietsen en dat ik met enge mannen meega. Natuurlijk niet! Ik heb wel eens iets doms gedaan… ik heb stiekem met de grote kinderen een sigaretje gerookt. Mijn pleegouders kwamen daar achter en waren heel boos. Dat ga ik echt nooit meer doen hoor! De dokters zeggen dat ik daar snel verslaafd aan kan worden, net als mijn echte moeder aan alcohol.”
Ċ
Anita Nijman,
8 jun. 2017 00:40